Mensen die geïnteresseerd zijn in oude geschriften, sturen mij soms een eenvoudige vraag over cijfers. Getallen komen in oude teksten voor bij betalingen, het opgeven van de oppervlakte van gekocht land, de datum van betaling, enz.

In oude tijden schreef men over de hele wereld op een stok een streepje om aan te duiden dat er één ding aanwezig was. Voorbeeld. Een schaapsherder moest tellen of al zijn schapen binnen waren. De man noteerde met streepjes hoeveel er binnen waren in zijn stal. Bij 10 schapen trok hij een schuine streep door het tiende streepje. Zo ontstond het cijfer X, XX voor 20, enz. Zo hebben wij het van de Romeinen geleerd. Tijdens mijn jongere jaren werden deze cijfers aan de kinderen geleerd in het 6de leerjaar, maar niet altijd met de nodige uitleg. Een ij is de aanduiding voor 2. Men schreef dus één streepje gewoon en een tweede streepje iets langer als een j. Zo werd iij een drie. De letter v staat voor het cijfer 5. Lettertjes i of j voor en achter de v dienden om kleinere of grotere getallen aan te geven: vj is 6, vij is 7, viij is 8, ix is 9, xj is 11, xij is 12, enz. Grotere getallen werden moeilijker om te schrijven en zeker om hiermee bewerkingen uit te voeren. Tel maar eens op: xviij + xxxvj (gemakkelijker is 18 + 36, zie verder).

Het getal 50 wordt aangeduid met de letter L. Zo leerden we Lj als 51, Lxvj als 66. C is de afkorting van het Latijnse woord centum (100), en M de afkorting van het Latijn Mille (1000). Als je M met ronde streepjes schrijft, is het eenvoudig om te zien dat een D de weergave is van 500, dus de helft van M.

In oude archieven lezen we soms jz. Dit is gewoon de notitie van “anderhalf of 1 1/2”. Het cijfer 3 of z moeten we lezen als “half of 1/2”. Bij de verkoop van land werd dikwijls aangeduid aan welke andere percelen het stuk grensde. Grenzend aan werd aangeduid met het woord regenoten. Zo lezen we bijvoorbeeld dat een land grensde aan sieur Piton ter jre, aan land van de kerk ter ijre, aan de kasteelheer d’Arconati ter iijre en aan de Armentafel ter iiijre. Dit moeten we lezen als: ter eendere, ter tweedere, ter derdere, ter vierdere.

Een 9 is niet altijd als een negen te lezen. In afkortingen als temp9 is het cijfer de afkorting van us. Lees dus gewoon tempus (Latijn voor tijd). Zo lees je ook c9 als cujus (Latijn voor “van deze”). 9 is ook een afkorting voor con of com in Latijnse woorden: 9munem = communem, 9iuge = coniuge.

Bij datums staat een c iets hoger zoals in xvjc. Dit is te lezen als 1600. Op oude gebouwen is het duidelijk: de cijfers staan groot afgebeeld op de gevel. Het mooie Wezenhuis op het Kapucijnenplein in Tienen kreeg de datum MDCCCXXXV (1835). Deze datum is nu niet meer te lezen, vermits de cijfers na de verbouwing van het Wezenhuis niet zijn teruggeplaatst !

Veel mensen zullen ook vergeten zijn dat het nieuwe jaar begon op 1 maart. Dat merk je nog aan de oude benamingen van maanden. 7ber of in het Latijn 7bris is te lezen als september of septembris = de zevende maand. Zo kennen we ook 8ber of 8bris als oktober of octobris = de achtste maand (octo = 8), 9ber of 9bris als negende maand (novem = 9) en ten slotte xber of xbris = december of decembris, dit is de tiende maand met Latijn decem = 10.

In oude teksten komt de datum waarop het stuk door een notaris geschreven is, dikwijls in het Latijn voor. Zo luidt “in het jaar van de Heer 1432” als anno domini millesimo quadringentesimo tricesimo secundo.

De getallen die wij nu gebruiken, komen uit India uit het Brahmischrift. Deze voorbeelden namen de Arabieren over. Met de verspreiding van de Islam in West-Europa leerden wij ook de getallen 1 tot 9 kennen, en ook de nul die pas rond 500 na Christus was uitgevonden. De uitvinding van de boekdrukkunst rond 1450 door Johannes Gutenberg en de invoering van het tientallig stelsel door Simon Stevin in Leiden, zorgden ervoor dat de Romeinse cijfers werden vervangen door de cijfers die ontstaan zijn in India.