In het privé-archief van dr. H. Jacobs vond ik een eigenaardig klein document, 12,5 cm  breed en 8,5 cm hoog. Het document is afkomstig van markies du Chasteler van het Kasteel van Moulbaix in Henegouwen. Het vermeldt geen datum en ook geen plaats. De naam “De Castellario” wordt op het Internet vermeld in de 13de eeuw. Het is de oude Latijnse benaming voor Du Chasteler. De tekst zelf is moeilijk om te lezen, maar met wat moeite en met de hulp van Latinist Karel Carmeliet uit Leuven, slaagde ik erin om de Latijnse tekst te ontcijferen.

De man die de verklaring aflegt, noemt zich zelf Ego, gevolgd door frater (broeder) en comes Barri et Lucae, te verstaan als “metgezel van Barrus en Lucas”. Dan volgt Ego met de vermelding omnibus ad quos presentes littere pervenerint notum facio, te vertalen als “ik maak bekend aan allen bij wie deze letteren (brief) toekomen”. Hierin staat dat Johannes de Castellario in het bezit is van een schuur. In het Latijn lezen we in horreo de verreres sancti pauli virdunensis. Horreum is Latijn voor een schuur. Hiervan is het Spaanse horreo afgeleid. Dit is een oude graanschuur overal bekend in Galicië. Deze traditionele graanschuur is opgebouwd in steen en hout, dikwijls ondersteund door stenen palen. Deze moesten beletten dat ratten in de schuur binnen geraakten.

Verreres hebben Carmeliet en ik in geen enkel Latijns woordenboek gevonden. Op de achterzijde van het document staat de verreriis in de ablatief meervoud boven de naam van Johannes de Castellario. De schuur wordt verder gevolgd door de naam sancti pauli virdunensis. Dit laatste woord Virdunensis is een adjectief in het Latijn afgeleid van een streeknaam, te vergelijken met namen als Leodiensis “van de stad Luik” of Juliacensis “van het hertogdom Gulik in Noordrijn-Westfalen”. De oorspronkelijke naam waarvan het adjectief Virdunensis is afgeleid, is Virodunum of in het Frans Verdun. Met varianten als Civitas Virdunensis of Verodunensium. De naam van Sint-Paulus verwijst naar de abdij van Saint-Paul in Verdun.

Dat de schuur eigendom was van Johannes, werd gewaardeerd laude et assensu, met lof en toestemming, door zijn broeders en alle erfgenamen. In hun aanwezigheid belooft Johannes dat hij niets zal opeisen van een overige in dezelfde schuur die hij heeft voorgedragen, in presentia nostra penitus adquitavit nec se aliquid reclamaturum de cetero in eodem horreo decantavit. Als bewijs van deze zaak bevestigt “Ego” de huidige bladzijde door de aanhechting van zijn zegel. Of zoals in het origineel staat: ego in testimonium huius rei presentem paginam sigili mei munitione confirmavi.