In 1440 had een pastoor van Kumtich een vaste verblijfplaats in een pastorie met een tuintje, gelegen tussen het Vroenhof en de kerk. Later was volgens Alph. Wauters (1876, 157) deze pastorie zo vervallen, dat niemand zich nog herinnerde dat er ooit een pastorie had gestaan. In 1619 wisten de oudere mensen nog te vertellen dat de pastoors van Kumtich altijd gewoond hadden achter het koor, in een oud gebouwtje van het Vroenhof vlakbij het kerkhof. Dit gebouwtje diende nadien als schapenstal en werd ten slotte verlaten.

Pastoor Nicolaas Hallet woonde een tijd bij zijn tante, in de hoeve van de familie Quaethoven, en vestigde zich daarna in Tienen. Door de afstand alleen al was dit een noodoplossing. De pastoor stemde erin toe om te komen wonen op de verdieping van de dorpsschool, gelegen op het kerkhof naast de toren. Sedert 1632 woonden volgens Wauters in Kumtich de pastoors Nicolaas Hallet, Hendrik Kayenbergh, N. Zeelandt en Bollis.

In het register van dopen, huwelijken en overlijdens in Kumtich vond ik meer gegevens. Op de folio’s 19-20 en 56-57 staan de namen van pastoors vermeld vanaf 1626. Vanaf 15 mei 1626 was Arnoldus Wijtmans pastoor van Kumtich. Bij zijn naam staat Sylvaeducensem (Bois-le-duc) deservitorem hujus parochiae. Hij was dus afkomstig van ‘s-Hertogenbosch. Op de folio 19 en 56 is zijn naam echter verkeerd geschreven als Arnoldus Nijsmans. Hij verbleef in Kumtich 54 jaar tot in 1680. Na hem kwam vanaf 13 april 1680 Hieronijmus Bollis. Hij bleef gedurende 30 jaar pastoor tot in 1710.

Vanaf november 1710 werd Everardus Nijs, ook geschreven Nys en Neijs, de nieuwe pastoor. Hij was afkomstig van Leuven en droeg als titel Sacrae Theologiae Bacalaurius en decanus Districtus Thenensis. De abdij van Inden was in Kumtich eigenaar van het Vroenhof naast de kerk. Van deze abdij wist pastoor Everard Nijs 600 gulden te bekomen. Volgens een overeenkomst van 23 april 1722 kon hij bovendien inkomsten verwachten van andere belastingbetalers. Zo kocht hij op 15 mei 1722 voor 300 gulden een blok van een bunder groot, gelegen bij de kerk. Hier kwam ten slotte de nieuwe pastorie, in 1725 genoemd het pastoreel huijs, de wooninghe ofte het huijs vande pastoor (Kerkarchief 2806). Het bouwwerk op perceel C 202 tegenover de kerk kostte 7000 gulden. Boven de garage zien we nog het muuranker 1729 staan. Eerwaarde Heer Nijs bleef 29 jaar pastoor. Hij overleed op 10 november 1739.

Vanaf 1740 werd Sebastianus De Muylder uit Koningslo bij Vilvoorde pastoor in Kumtich tot in 1782, dus gedurende 42 jaar. Hij overleed op 9 mei 1782. Na hem kwam Joannes Balthazar Brasseur uit Gingelom tot het jaar 1786, dus gedurende 4 jaar en 6 maanden. Hij overleed op 24 december 1786. De volgende pastoor was vanaf 23 juni 1787 Guilielmus De Clerck uit Vorst bij Brussel. Hij was decanus van het Tiense district tot 22 juli 1800, gedurende 13 jaar en 1 maand. Vanaf 1800 tot het jaar 1803 waren er drie deservitores: 1) Jacobus Franciscus Van Herberghen uit Tienen, die overleed op 30 november 1800. 2) J. Du Baillou bleef tot 1 juli 1801. 3) Vanaf 25 juli 1801 was A.L. Hosselaer pastoor tot de maand juli 1803.

De volgende pastoor die zoals zijn vele voorgangers zeer lang in Kumtich bleef was Joannes Van Cuijck uit Halen. Hij werd pastoor op 7 juli 1803 en woonde in het dorp tot 25 september 1828, dus gedurende 25 jaar en 2 maanden. Hij overleed in Tienen op 18 december 1833. Vanaf 25 september 1828 was Joannes Theodorus Lanen Ghelensis, dus van Geel, decanus in Kumtich. Volgens A. Wauters was Lanen in 1876 al 48 jaar pastoor van Kumtich. Lanen overleed op 19 mei 1883. Hij werd op 28 juni 1883 opgevolgd door  Augustus Cluts uit Bost, die overleed op 10 april 1886. De volgende pastoors waren: vanaf 20 juni 1886 Franciscus Vranckx uit Antwerpen, die overleed in Kumtich op 10 oktober 1911; vanaf 29 november 1911 Josephus Van Nerum uit Attenrode-Wever, die bleef tot 25 februari 1927, hij verhuisde naar Leuven; op 15 maart 1927 Alexis Van Eepoel uit Ramsel en op 24 augustus 1955 Paulus Moens uit Hoegaarden.